Oude platencontracten en downloads – class actions van Whitesnake, White Zombie, Rick James en anderen tegen Universal

Mijn oog viel in 2011 op enkele berichten uit de Verenigde Staten over zgn. ‘class actions’ (collectieve acties) van een aantal artiesten tegen de Universal Music Group. White Snake, White Zombie, Dave Mason, Rick James en andere Motwon artiesten claimen in twee verschillende rechtszaken achterstallige royalties. Zij stellen dat Universal de artiesten stelselmatig te weinig heeft betaald voor downloads en ringtones met hun muziek en stapten daartoe in mei van dit jaar naar de Amerikaanse rechter.

In 2010 werd door het Amerikaanse Gerechtshof in de zaak Eminem tegen Universal bepaald, dat artiesten recht hebben op een vergoeding zodra de opnamen met hun uitvoeringen worden gedownload. De Amerikaanse rechter nam in die zaak met name aan dat de overeenkomsten van Universal met telco’s en iTunes aangemerkt moesten worden als een ‘licentie’ en niet als een eigen verkoop van Universal. In de onderhavige class actions wordt met een beroep op deze uitspraak gesteld dat Universal zich niet aan deze rechtspraak houdt en slechts een fractie van hetgeen zij de artiesten daadwerkelijk verschuldigd is heeft betaald.

De zaak is met name van belang voor artiesten met een oud platencontract, d.w.z. een platencontract dat stamt uit de tijd dat van digitale downloads nog geen sprake was en daar in de contracten dus ook geen rekening mee werd gehouden. In dergelijke platencontracten wordt doorgaans een royalty, bijv. 10% afgesproken voor de verkoop van fysieke exemplaren, bijv. CD’s en DVD’s. Daarnaast is er dan een vergoedingsafspraak opgenomen die van toepassing is in het geval van licenties oftewel aan derden verstrekte exploitatierechten. Geeft bijv. de platenmaatschappij in Nederland een licentie aan een derde in Duitsland, die daardoor de opnamen in Duitsland mag exploiteren, dan is op die inkomsten de bepaling die gaat over ‘licenties’ van toepassing. In veel platencontracten wordt en werd voor licentie-inkomsten een 50/50 vergoeding afgesproken. Dat is doorgaans een veel hogere vergoeding dan de ‘normale’ royalty, die onder meer kan worden verklaard door het feit dat in het geval van licenties niet de platenmaatschappij maar de derde de kosten van vervaardiging, distributie, promotie en verkoop op zich neemt. De Amerikaanse artiesten stellen dat een vergoeding op basis van de clausule voor licenties voor hen veel hoger uitvalt. 

In zijn algemeenheid is dat overigens niet zo. Krijgt een artiest bijv. een ‘normale’ royalty van 10% PPD en kost de CD € 16,- in de winkel met een PPD van € 10,-, dan krijgt de artiest een vergoeding van € 1,- per verkochte CD.

Krijgt een artiest een 50/50 vergoeding voor licenties en heeft de platenmaatschappij een licentiecontract met een derde gesloten tegen een vergoeding voor de platenmaatschappij van 20%, dan krijgt de platenmaatschappij voor een door een derde verkochte CD van € 16,- met een PPD prijs van € 10,- een vergoeding van € 2,- en de artiest 50% daarvan is € 1,-. De opbrengst is dan voor de artiest precies gelijk.

Maar in het geval van downloads wijzigt het financiële plaatje nogal, doordat de maatschappij daarvoor uiteindelijk een vergoeding van bijv. 100 krijgt. Is daarop de gewone royalty van toepassing, dan krijgt de artiest 10% van 100 = 10 en krijgt de artiest de helft van de opbrengst omdat sprake is van een licentie-opbrengst, dan krijgt de artiest in dit voorbeeld 50 in plaats van 10 oftewel 5 keer zoveel. Zie hier het belang van de procedures.

De artiesten claimen dat Universal op deze wijze artiesten benadelen met enkele tientallen miljoenen dollars per jaar.  En daar blijft het niet bij. In de claim wordt ook aangevoerd dat sprake is van opzettelijke benadeling door Universal, die pas na rijp intern beraad en berekenend zou hebben gehandeld ten nadele van de artiesten in deze.

Universal spreekt de claims tegen en stelt daarbij onder meer dat dergelijke vorderingen zich helemaal niet lenen voor een collectieve actie. Maar recentelijk bleek dat de Amerikaanse rechter toch wel geneigd is de zaken als een collectieve actie aan te horen. Een beroep op de onbevoegdheid van de rechter in de ene zaak en een beroep op de niet ontvankelijkheid van de artiesten in de andere zaak werd afgewezen. De zaken zullen dus in de loop van 2012 wel degelijk inhoudelijk worden behandeld.

De collectieve actie vloeit in deze zaken voort uit de Amerikaanse oneerlijke mededingingswetgeving, die met name gericht is op ‘consumenten’ en ‘concurrenten’. De artiesten hebben aangegeven dat ook het publiek (consumenten) door de handelswijze van Universal is benadeeld. Waarschijnlijk wordt dan gedoeld op het hanteren van te hoge verkoopprijzen, maar zeker weten doe ik dat niet.

Nederland

Wanprestatie en oneerlijke mededinging, dat zijn de gronden waarop de eisers zich beroepen in deze twee rechtszaken. Alleen doen zij dat niet individueel, maar collectief. Kan dat in Nederland wellicht ook?

Collectieve actie

De collectieve actie als zodanig kennen we in Nederland ook. In artikel 3:305a BW is de regeling opgenomen waaruit blijkt dat een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot ‘bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt’. Op deze basis procedeert de stichting Gong tegen Sena als het gaat om het verkrijgen van een Sena-vergoeding voor de bij haar aangesloten muziekproducers, die als zodanig in de Wet Naburige Rechten niet worden erkent als rechthebbende. En verder is er ook nog artikel 6:240 BW, waarin staat dat rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid en die (onder meer) ten doel hebben de behartiging van belangen van personen die een beroep of bedrijf uitoefenen, het recht hebben bepaalde bedingen in bepaalde algemene voorwaarden onredelijk bezwarend te laten verklaren door (uitsluitend) de rechter in Den Haag. De Vevam werd op deze bepaling nog recentelijk gewezen in haar rechtszaak tegen NL Film & TV. Het gaat hierbij om een abstracte toetsing, d.w.z. los van een geschil.

De ‘majors’ werken in Nederland meestal met een korte hoofdovereenkomst en een set algemene voorwaarden. Het is dus in beginsel denkbaar, dat een stichting of vereniging van artiesten een beroep doet op het onredelijk bezwarend zijn van bepaalde clausules in de voorwaarden. Tot heden is dat echter nog nooit gebeurd. Wellicht dat de NTB of de Kunstenbond c.q. BV Pop in voorkomende gevallen een dergelijke procedure zouden kunnen voeren, hetgeen dan met name zal moeten blijken uit de doelomschrijvingen van deze stichtingen.

Gaat het om een collectieve actie als is bedoeld in artikel 3:305a Rv, dan dient de stichting in ieder geval de te behartigen doelstelling in de statuten te hebben geformuleerd. Bovendien moeten er activiteiten op het betreffende gebied zijn ontplooid. De belangenbehartiger procedeert op eigen gezag en niet namens individuen, met als gevolg dat de stichting of vereniging in deze procedure geen schadevergoeding in geld kan verlangen. Dat recht heeft de Nederlandse wetgever voorbehouden aan personen die zelf de schade hebben geleden.

Voor de volledigheid: sinds 2005 beschikt Nederland over een Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) die de mogelijkheid biedt om ook in Nederland voor massaclaims een collectieve schikking te treffen naar Amerikaans model, maar daarbij gaat het vooral om massa schadezaken in de financiële sfeer, zoals bijv. woekerpolissen en dergelijke.

Heeft u een muziekadvocaat nodig?

Neem contact op met Margriet Koedooder, voor al uw vragen over muziekcontracten en muziekrecht.

Deel deze blog met